|
Verantwoording
van de keuze :
Het boek gaat over alledaagse situaties in Zweden en over menselijke
verhoudingen. Je krijgt ook een goed beeld van de bijzondere manier van
denken van kinderen en van hun aanpak van problemen. Het boek zegt ook
veel over de wijze waarop de Zweedse samenleving omgaat met bejaarden
en hoe die dat ervaren. Bovendien is de stijl van het boek erg humoristisch
en bevat het meesterlijke prenten.
Samenvatting
:
Berra zou dolgraag een grootvader hebben, en zijn beste vriend weet waar
je die kunt vinden. De twee jongens gaan naar het bejaardenhuis in de
buurt en zoeken een oude man uit, die Berra's opa moet worden. Ze bezoeken
hem vaak en nemen hem mee op spannende uitstapjes. De oude man voelt zich
herleven; hij is gelukkig en voelt zich weer ‘nodig'. Hij helpt de jongens
om een vlieger te maken en hij leert ze hoe je die moet oplaten. Ze beleven
samen een heerlijke tijd en halen heel wat kwajongensstreken uit. De oude
man wil Berra ook te leren fluiten. Hoe hij het ook probeert, fluiten
is echt wel moeilijk. Tenslotte kan hij het, en hij loopt trots en blij
naar zijn ‘grootvader' om het hem te tonen. Maar – de oude man is dood.
Op de uitvaart gaat Berra bij de kist staan en fluit hij trots het oude
wijsje dat zijn ‘opa' hem leerde. Het heet ‘Kun je fluiten, Johanna?'
en het was zeer populair in de jaren 1930.
Suggesties
voor gebruik in de klas :
1.Bespreek typische eigenschappen van grootouders met de kinderen.
Bv:
Hoe zien ze eruit? (beschrijvende taal – adjectieven)
Wat doen ze graag? (actieve taal – werkwoorden)
Hoe doen ze dingen? (bijwoorden)
i) Je vriend moet een brief naar een van je grootouders brengen. Schrijf
een duidelijke portret van hem/haar zodat je vriend hem/haar kan herkennen.
ii) Maak een lijstje met dingen die je leuk vindt om met je grootouders
te doen. Vergelijk je lijst met die van een vriend.
2. Bespreek wat kinderen graag samen met hn grootouders doen.
i) Maak een storyboard over een van de dingen die je graag samen met je
grootvader/moeder doet.
ii) Maak een stamboom waarop je verwantschap met je grootouders duidelijk
wordt.
3. Bekijk de illustraties in ‘Kun je fluiten Johanna?, aandachtig. Bespreek
overeenkomsten/ verschillen tussen Zweden en je eigen land, die je daarbij
opvallen.
i) De leraar of de kinderen noteren de verschillen en overeenkomsten in
twee kolommen op het bord.
ii) Kies één van die verschillen/overeenkomsten uit en beschrijf
het alsof je het zou moeten spelen op een podium. Reflectie:
Reflecteer over het belang van grootouders en andere menselijke
relaties.
NB Nog meer literaire en linguïstische activiteiten vindt
u in
Picture Books sans Frontières verkrijgbaar bij
tb@trentham-books.co.uk
of www.amazon.co.uk
|